Klaas v Egmond: Politiek vd Menselijke Maat



Werkdocument: Politiek van de Menselijke Maat

Politiek gaat om meningsverschillen over moraal (Hannah Arendt)

Samenvatting

We zijn opnieuw gedwongen tot herbezinning. Mensen zijn zich gaan afvragen wat ze werkelijk van waarde vinden. Gezondheid, gezelschap, goede familieverhoudingen, goede buren en ook de beleving van natuur, cultuur en een prettige woonomgeving bleken meer bij te dragen aan menselijk geluk dan die grotere auto en de verdere vliegreis. Wat werkelijk van waarde bleek te zijn, was de menselijke maat.

Maar in de politiek is die vooralsnog ver te zoeken. Daar worden steeds meer de uitersten opgezocht. We zijn terecht gekomen in een ongenuanceerde strijd tussen publieke en private belangen en tussen de belangen van de echte, reële economie tegenover die van de financiële economie. Die polarisatie staat een breder gedeelde oplossing van de enorme problemen in de weg. We weten niet meer wat we onder ‘vooruitgang’ moeten verstaan en we hebben daardoor ook geen overeenstemming meer over de maatschappelijke doelstelling.

In plaats van vast te houden aan eerder ingenomen politieke standpunten en/of mee te gaan in oude economische belangen, zouden we daarom de gelegenheid moeten aangrijpen om nu eerst na te gaan wat we ‘van waarde’ vinden en wat we onder een menswaardige samenleving verstaan. Op die manier krijgen we meer vaste grond onder de voeten bij het uitzetten van een nieuwe koers.

‘Moreel kompas’

Die koersbepaling is minder moeilijk dan het lijkt. In de Europese geschiedenis, filosofie en cultuur ligt een ‘moreel kompas’ besloten. Het is gebaseerd op een mensbeeld waarin we ons staande moeten zien te houden in het spanningsveld tussen ‘onszelf’ en ‘de anderen‘en daarnaast tussen ‘hemel en aarde’, dat wil zeggen tussen de immateriële en materiële kwaliteiten van het bestaan. Mensen zijn gelukkiger naarmate het beter lukt om die waarden in evenwicht te houden. Als het niet lukt, worden die waarden steeds eenzijdiger. Ze ontaarden dan in obsessies die ten koste van alle andere menselijke waarden worden nagestreefd. De menselijke waardigheid gaat daardoor verloren. Het eindigt in rampspoed en van ‘duurzaamheid’ is dan allang geen sprake meer.

Moraliteit en beschaving gaan over het bewaren en bewaken van een (dynamisch) evenwicht tussen de fundamentele menselijke waarden en daarmee het behouden van de menselijke maat. Daarbij wordt bewust toegewerkt naar een evenwicht tussen het private en het publieke, het eigene en het andere, verstand en gevoel, ecologie en economie, de financiële en de reële economie, het masculiene en het feminiene, materiële welvaart en immaterieel welzijn. Er komt dan meer ruimte voor andere menselijke kwaliteiten zoals kunst en cultuur, natuurbeleving, sport en spel en meer aandacht voor de menselijke maat in onderwijs en gezondheidszorg. Het is ook het meest ‘duurzaam’ omdat de rampzalige uitersten worden vermeden.

Klaas van Egmond in beeld webinar 4 juni 2020 

De crisis is een grote kans. Welk moreel kompas helpt ons daarbij? Hoe voorkomen we het risico van de dwaze eenzijdigheid? Naar een politiek van de menselijke maat.

Herstel van evenwicht

Herstel van het evenwicht tussen het publieke en het private, en het evenwicht tussen materiële en immateriële kwaliteiten zou onder meer de volgende beleidslijnen legitimeren:

- Aanvaarding van de fysieke grenzen aan de groei. Eindeloos voortgaande materiële groei is onmogelijk. Het enige effectieve milieubeleid is de sterke vermindering van het gebruik van grondstoffen in de economie, door alle maatschappelijke kosten via heffingen in de ‘echte prijs’ te verwerken. Dat betekent veel minder gebruik van fossiele brandstoffen (klimaatverandering),

veevoer en kunstmest (stikstof-problematiek) en schaarse grondstoffen (circulaire economie). Daarna kan innovatie worden ingezet om de resterende stofstromen zo efficiënt mogelijk te benutten. Met deze eenvoudige maatregel wordt overal ter wereld de uitputting van de natuur verminderd.

 - Immateriële groei door de ontwikkeling van kunst en cultuur zal onvermijdelijk belangrijker worden dan materiële groei, die in de aard begrensd is. Kunst en cultuur vergroten de samenhang tussen de verschillende menselijke waarden. Daarmee dragen ze bij aan het behoud van de menselijke waardigheid.

 - Onderwijs is een voorwaarde voor een evenwichtige samenleving. Door in het onderwijs alle menselijke aspecten in gelijke mate te ontwikkelen worden (alle) burgers opgeleid tot evenwichtige individuen.

 - Publieke en private verantwoordelijkheden behoren principieel in evenwicht te zijn. Natuurgebieden, het strand, lucht, water en delfstoffen zijn gemeenschappelijke ‘commons’, ze zijn van iedereen en daarom niet privaat toe-eigenbaar. Dat geldt ook voor de energievoorziening, gezondheidszorg en het monetaire bestel. Grond en infrastructuur zijn niet te koop voor beleggers van buiten de nationale (of Europese) gemeenschap. Aandeelhouders, die alleen maar de factor kapitaal vertegenwoordigen, behoren niet de beleidsbepalende eigenaars van bedrijven te zijn.

 - Soevereiniteit / zelfbeschikking (‘eigenheid’) van de democratische gemeenschap is een wezenlijk aspect van de menselijke maat. Economische belangen (handelsverdragen) zijn daaraan ondergeschikt; niet grote bedrijven, maar de soevereine democratische staat heeft het laatste woord. Om geopolitieke en/of economische redenen (level playing field) is een hoger schaalniveau (Europa) op onderdelen nastrevenswaardig. De zelfbeschikking van alle landen en volkeren, huidige en toekomstige generaties, wordt gerespecteerd door af te zien van afwenteling van milieudruk, natuurvernietiging , grondstoffenuitputting en verstoring van lokale markten.

 - Het huidige financiële bestel is schadelijk voor de economie. Het is te groot, onrechtvaardig en werkt destabiliserend. De winst is privaat, de (enorme) verliezen zijn publiek. Ontvlechting van publieke verantwoordelijkheden en private risico’s is een voorwaarde voor een gezonde reële economie. De huidige, zeer fundamentele crisis kan alleen worden opgelost door de gemeenschap en dus de overheid, haar principiële recht op geldschepping terug te geven. Op die manier is herstel in de richting van een nieuwe, gezonde economie mogelijk zonder dat daar enorme schulden tegenover staan.

 - Het belastingstelsel behoort de afspiegeling te zijn van het breder gedeelde waardepatroon. Wanneer die waarden niet duidelijk worden uitgesproken, ontstaat vanzelf een waardeloze samenleving.

 Op basis van hernieuwd moreel besef en de daaruit volgende concrete maatregelen (normering / regulerende heffingen) kan de politiek een ‘licence to operate’ afbakenen die deze keer daadwerkelijk naar een samenleving leidt, waarin mensen zich optimaal kunnen ontplooien en die ‘duurzaam’ is. Het is vervolgens aan economische en financiële actoren om aan te geven hoe ze daarbinnen (economisch) kunnen functioneren. Afhankelijk van de mate waarin zij daarin slagen, krijgen bedrijven steun voor de eventuele omvorming naar nieuwe economische bedrijvigheid. Op die manier zou (Corona-) steun primair worden gebruikt voor de overgang / transitie naar de nieuwe maatschappelijke situatie, die we als ‘het nieuwe normaal’ moeten beschouwen. Het zou meer vaste grond onder de voeten kunnen geven bij de komende debatten over post-Corona beleid en het politiek-maatschappelijk debat voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen.

Juni 2020 

Politiek van de Menselijke Maat

We kunnen na de Corona-crisis niet doorgaan, waar we voor de crisis waren gebleven. Daarvoor is de stapeling van problemen te groot en hebben we te weinig onderlinge overeenstemming over de maatschappelijke doelstelling en daarmee over de vraag wat we onder ‘vooruitgang’ verstaan. De huidige politieke polarisatie die daar het gevolg van is, staat een breder gedeelde oplossing van de enorme problemen in de weg. We zijn terecht gekomen in een ongenuanceerde strijd tussen publieke en private belangen en tussen de belangen van de echte, reële economie tegenover die van de financiële economie.

De crisis dwingt tot herbezinning. Mensen zijn zich gaan afvragen wat ze werkelijk van waarde vinden en zijn op zoek gegaan naar de menselijke maat. In plaats van vast te houden aan eerder ingenomen politieke standpunten en/of mee te gaan in oude economische belangen, zouden we daarom de gelegenheid moeten aangrijpen om nu eerst na te gaan wat we onder een menswaardige samenleving verstaan. Dat kan een gemeenschappelijke noemer opleveren, een moreel kompas dat enig houvast geeft bij de vraag wat ‘normaal’ kan heten. Zo’n moreel kompas kan wat vaste grond onder de voeten geven bij de komende debatten over post-Corona beleid, de voorbereiding van de verkiezingsprogramma’s en het politiek-maatschappelijk debat voorafgaand aan de Tweede Kamer verkiezingen.

Mensbeeld

De ervaring leert dat mensen er niet dezelfde waardeoriëntatie op na houden. Niet voor niets lopen de verschillende politieke oriëntaties sterk uiteen. Liberalen staan tegenover socialisten en zoekers van materiële luxe tegenover sobere religieuzen. Maar bij nadere beschouwing blijken die verschillende waardeoriëntaties deel uit te maken van een groter, samenhangend mensbeeld dat kan dienen als de gemeenschappelijke noemer, waarover wel degelijk een grotere mate van overeenstemming mogelijk is. Dat mensbeeld geeft weer ‘wie we denken te zijn’ en daarmee ook wat we willen worden. Door ons overeenkomstig dat mensbeeld te ontplooien kunnen we als mensen optimaal ‘floreren’. Het is daardoor, al dan niet bewust, sterk bepalend voor de maatschappelijke doelstelling.

Dat gemeenschappelijke mensbeeld ligt besloten in de Europese filosofie, cultuur en geschiedenis1. Op grond van de filosofie van vooral Plato en Aristoteles bestaat het uit vier elementen die als twee tegenstellingen kunnen worden gezien. Het gaat dan om de ‘verticale’ tegenstelling tussen het fysieke / materiële en het niet materiële / ‘geestelijke’, en de ‘horizontale’ tegenstelling tussen het individuele ik en het collectief van de anderen. Op die manier ontstaat het mensbeeld zoals afgebeeld in de figuur. Het geeft de menselijke gesteldheid weer, dat wil zeggen het geheel aan menselijke eigenschappen en mogelijkheden, waaraan we waarden kunnen toekennen. Wie bijvoorbeeld veel waarde toekent aan het tot uitdrukking brengen van de meest individuele, geestelijke emotie (rechtsboven in het mensbeeld), is een kunstenaar. In dat geval domineert de waardeoriëntatie van het rechtsboven kwadrant. Andere mensen kunnen een meer materiële oriëntatie hebben, of meer op het collectief zijn gericht. De verschillende waardeoriëntaties zijn, ook in politiek opzicht, dus eenzijdige belichtingen van hetzelfde achterliggende mensbeeld.

1 Zie verder Homo Universalis; moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance.

Klaas van Egmond; Uitg. de Geus-Amsterdam 2019;

www.klaasvanegmond.nl

Dat geldt ook voor de geschiedenis. Zo domineerde in de Middeleeuwen het geestelijk-universele kwadrant linksboven in de vorm van de Katholieke (= universele) kerk. Tijdens de Verlichting (1650-1800) waren de rationalistische waarden van het linksonder kwadrant voor de mensen met invloed het meest maatgevend. Onze huidige post-moderne tijd komt overeen met de materialistisch-individuele waardeoriëntatie van het rechtsonder kwadrant, waarin afscheid wordt genomen van de universele 4

vormen van kerk, staat, wetenschap en waarheid, zoals die aan de linkerkant lang hebben gedomineerd. MaterialistischParticulierDiversiteitIndividueelUniverseelUniformiteitCollectiefGeestelijkNiet-MaterialistischHedonistischZintuiglijk / fysiekNatuurKunstSpiritualiteitRationaliteitCultuurReligie

Moreel kompas

Maar de geschiedenis leert ook dat die eenzijdige waardeoriëntaties de neiging hebben om steeds eenzijdiger te worden en in hun karikatuur te veranderen. Zo heeft het steeds extremer worden van de claim op de universele waarheid in het linksboven kwadrant tot eeuwenlange godsdienstoorlogen geleid. Veel andere catastrofes uit de (Europese) geschiedenis, zoals Communisme en Nazisme kunnen op diezelfde manier worden gezien als de karikatuur van de toenmalige tijdgeest. Meer algemeen domineren in de geschiedenis de karikaturen die bij de achtereenvolgende kwadranten horen; kerk, staat, (natuur-)wetenschap, technologie, economie en het financiële bestel. Zo is de hyper-globalisering van de afgelopen decennia te begrijpen als de karikatuur van de ‘universele’ markt (linksonder) en is een groot deel van het huidige financiële bestel te begrijpen als het domineren van de waarden van het individueel-materialistische rechtsonder kwadrant (‘greed is good’).

Het mechanisme waarbij de steeds weer toenemende eenzijdigheid tot catastrofale ontwikkelingen leidt, kan worden begrepen vanuit de deugdethiek van (met name) Aristoteles en de psychologie van Jung. In de deugdethiek is het goede, het midden tussen twee kwaden en bij Jung gaat het in de menselijke ontwikkeling om het overbruggen van de tegenstellingen. De middelpuntzoekende bewegingen kunnen dus als ‘goed’ worden gekwalificeerd en de middelpuntvliedende als ‘slecht’. Volgens Jung komt de middelpuntvliedende kracht voort uit de behoefte aan identiteit; de mens is zo onzeker over zichzelf, dat hij zich in de periferie vastklampt aan alles wat houvast geeft. Hij klampt zich vast aan het eigen ego (rechts), verliest zich in de totaliteit (links) of vereenzelvigt zich met de materiële spullen die hij heeft (onder). Buiten de cirkel worden die afzonderlijke waarden zo sterk uitvergroot dat ze alle andere waarden binnen de cirkel gaan domineren. Die ‘losgezongen’ waarden worden vervolgens obsessief nagestreefd ten koste van al die andere, wezenlijk menselijke waarden. Daarmee gaat uiteindelijk de ‘menselijke waardigheid’ verloren.

Beschaving komt blijkbaar neer op het bewaren van een (dynamisch) evenwicht tussen onze fundamenteel menselijke waarden; tussen geestelijke inzichten en materiële spullen en tussen jezelf en ‘de’ anderen (mensen en natuur). Wanneer dat evenwicht verloren gaat, dan maakt het ‘goede’ plaats voor het ‘kwade’. In het mensbeeld ligt dus ook een moreel kompas besloten dat naar het midden van het mensbeeld wijst. Dit morele kader wordt in vele toonaarden bevestigd door de grote literaire en muzikale meesterwerken van de Europese cultuur zoals die van Shakespeare, Mozart en Wagner, door religieuze noties, mythen en legenden. 5

Als de koers van het morele kompas zou worden gevaren, geldt niet meer het adagium dat ‘alles moet kunnen, tenzij het tegendeel wetenschappelijk is bewezen’. Zodra we inzien dat onze huidige problemen niet alleen een technisch, maar vooral een moreel karakter hebben, houden we op met het verzinnen van cosmetische maatregelen die aardig lijken, maar weinig tot niets opleveren. Pas dan kunnen we met elkaar gaan bespreken wat we werkelijk ‘van waarde vinden’ en hoe we dat zouden kunnen bereiken.

In dat geval worden eenzijdig individualisme en collectivisme bewust ontmoedigd, evenals eenzijdige oriëntaties op het materiële of het ‘geestelijke’. Rationaliteit en efficiëntie zouden van de huidige dominantie, naar normale proporties worden teruggebracht ten gunste van diversiteit en dus van veerkracht. Op basis van zo’n moreel kompas wordt bewust toegewerkt naar evenwicht tussen het private en het publieke, het eigene en het andere, verstand en gevoel, ecologie en economie, financiële en reële economie, het masculiene en het feminiene, materiële welvaart en immaterieel welzijn. Er zou daardoor weer ruimte komen voor andere menselijke kwaliteiten zoals kunst en cultuur, sport en spel, natuurbeleving en meer aandacht voor de menselijke maat in onderwijs en gezondheidszorg.

Daarmee komt ook ‘duurzaamheid’ binnen bereik. Heroriëntatie op de waardeoriëntaties binnen de cirkel zijn van nature duurzaam, omdat wordt voorkomen dat zich buiten de cirkel karikaturale catastrofes kunnen ontwikkelen (zoals klimaatverandering en financiële crises). Ook wordt dan duidelijk wat we moeten ontwikkelen als we het over ‘duurzame ontwikkeling’ hebben. Omdat het gevonden mensbeeld (als totaal) onafhankelijk blijkt te zijn van de tijd, geeft het niet alleen de wezenlijke behoeften van de huidige, maar ook die van toekomstige generaties weer. Die behoeften liggen meer naar het midden van het mensbeeld en doen dus een minder groot beroep op natuur en grondstoffen. Het morele kompas is daardoor (in hoge mate) synoniem met ‘duurzaamheid’.

Leiderschap speelt hierbij een grote rol. De geschiedenis heeft leiders voortgebracht die gericht waren op de waardeoriëntaties die meer naar het midden liggen en waarbinnen in vrijheid accenten werden gelegd (bijvoorbeeld Mandela). Daartegenover stonden en staan leiders die door hun zeer eenzijdige profilering de dominerende waardeoriëntatie tot karikatuur hebben gemaakt en daarmee de catastrofe hebben afgeroepen. Leiderschap is daarom een morele kwestie, zowel in de publieke sfeer van politiek en overheid, als in de private sfeer van het bedrijfsleven.

Stereotypering van de politiek

Politieke partijen vertegenwoordigen de waardeoriëntaties van de burgers. Zoals hierboven aangegeven kunnen die verschillende waardeoriëntaties goeddeels worden gezien als eenzijdige belichtingen (delen / kwadranten) van het hierboven beschreven mensbeeld. Dat betekent dat ook de programma’s van politieke partijen met (delen van) dat mensbeeld kunnen worden verbonden. Zoals al is aangegeven speelt ook het beschreven middelpuntvliedende mechanisme hierbij een rol:

In de eerste plaats lijkt er zoiets te zijn als een ‘tijdgeest’ waardoor waaroriëntaties (van burgers) steeds eenzijdiger worden (mede onder invloed van commercieel gedreven beeldvorming / reclame). Maar daarnaast hebben politieke partijen, in wisselwerking met de media, ook de neiging om zich te profileren in de richting van de periferie, omdat hun identiteit (hoewel eenzijdig) daarmee wordt versterkt en de kiezers (vooralsnog) houvast wordt geboden. Op die manier treedt een zekere stereotypering op, waarbij (veel) partijen zich naar de cirkelrand begeven, tegen de koers van het morele kompas in. Veel politici hebben er de afgelopen jaren al op gewezen dat ‘het midden leeg geslingerd raakt’.

Op dit moment domineert het rechtsonder waardepatroon. Na de val van de muur in 1989 brak het neo-liberalisme door, wat kan worden gezien als de overgang van de universele, op het collectief gerichte waarden aan de linksonderkant, naar de nog steeds materialistische, maar nu sterker wordende individualistische waarden aan de rechtsonderkant.

- ‘Conservatieve’ partijen verlangen terug naar het vorige linksonder patroon, waarin de waarden van de Verlichting (toen) voor veel vooruitgang hebben gezorgd.

- ‘Progressieve partijen’ vluchten al vooruit naar het rechtsboven kwadrant, waar naast de nog steeds individuele, lokale waarden, nu vooral de niet-materialistische en meer feminiene waarden gaan

domineren (‘small is beautiful’). Samen met de partijen die het verzwakte linksboven kwadrant representeren (onder meer de institutionele kerk), bepleiten de progressieven het verlaten van de eenzijdig materialistische karikatuur, waar we nu aan de onderkant in zijn beland. Voor zo’n pleidooi zijn er altijd twee argumenten: de karikatuur is niet houdbaar en leidt in de huidige situatie tot ecologische catastrofes (klimaat, biodiversiteit, afnemende veerkracht). Het tweede argument is het inzicht dat we als mensen niet gelukkig worden van nog meer spullen en verdere vliegreizen. Als we eeuwen filosofie en cultuur serieus nemen, mogen we verwachten wel gelukkig te worden door de waardeoriëntaties richting het midden, omdat we dan het wezenlijk menselijke in ons naar voren halen.

- De electorale oriëntatie op ‘rechtse’ partijen volgt op de karikatuur van de universele (linksonder) hyper-globalisering, waarin de fundamentele waarden van de rechterkant werden ontkend. Die rechterkant is net zo legitiem als de linkerkant en gaat over een zekere mate van eigenheid en zelfbeschikking. Het hier gehoorde pleidooi voor eigenheid op nationale schaal is zeer begrijpelijk, maar gezien de economische schaalvergroting en de culturele verwantschap die veel groter is dan het lijkt, zou die eigenheid beter op Europese schaal kunnen worden gezocht. Dat is alleen al nodig om het door het bedrijfsleven terecht gewenste ‘level playing field’ te realiseren.

- De huidige electorale oriëntatie op de ‘linkse’ partijen kan worden gezien als een reactie op de neo-liberale beweging die in de afgelopen drie decennia ook weer tot karikatuur is geworden. Door de eerder gecreëerde universele, overal en altijd geldende mondiale markt (linksonder) te combineren met sterk individualisme (rechts onder) kon een samenleving ontstaan waarin efficiëntie dienstbaar werd aan eigenbelang en de verbindende instituties (aan de linkerzijde) ernstig werden verzwakt, inclusief de nationale staat. Het resultaat is een karikaturaal financieel bestel, dat zowel de reële economie als de soevereine nationale en Europese gemeenschap domineert.

- Aan de linksboven kant lopen religieus geïnspireerde partijen het risico hun eigen karikatuur te worden door te claimen de universele waarheid in pacht te hebben. Dat heeft in het verleden van het christelijke Europa veel menselijk leed veroorzaakt en dient zich nu opnieuw aan in de vorm van islamitisch extremisme. Er is geen enkele reden om elkaar uitsluitende (openbare) claims op de universele waarheid als legitiem te beschouwen.

- Religieus geïnspireerde partijen hebben vanuit hun ‘geestelijke’ oriëntatie de neiging om weinig waarde toe te kennen aan de onderkant van het mensbeeld. Zoals kon worden verwacht is deze ontkenning van het fysiek / lichamelijke (seksualiteit) door de linksbovenkant, aan de diagonaal tegengestelde rechtsonderkant als maatschappelijk probleem teruggekomen.

- Omgekeerd hebben partijen met een meer materialistische oriëntatie de begrijpelijke neiging om, geheel in lijn met de tijdgeest, de meer ‘geestelijke’ bovenkant te ontkennen. Maar tegen de achtergrond van het feit dat ongeveer 6 van de 8 miljard mensen in de wereld een religieuze / spirituele overtuiging hebben, zou het verstandig zijn om dat deel van het mensbeeld wel serieus te nemen. Wie moeite heeft met het ‘geestelijke’ in spirituele zin, kan het desgewenst ook zien als een ‘emergente’ eigenschap die uit de menselijke biologische computer voortkomt (virtual reality).

Herstel van evenwicht; praktische opties voor beleid

Moreel verantwoord en duurzaam beleid is dus gericht op het handhaven van het dynamische evenwicht tussen de wezenlijke waardeoriëntaties. Daarbinnen kunnen in vrijheid accenten worden gelegd. Hoewel de morele kompaskoers naar het midden wijst, als een punt op de horizon, zijn alle oriëntaties die binnen de cirkel vallen als ‘goed’ te kwalificeren. Meer naar het midden is ‘beter’, omdat de samenhang tussen de verschillende waarden daar groter wordt, waardoor de mens zich meer volledig kan ontwikkelen en dus beter kan ‘floreren’. Maar afgezien van dat midden zijn alle oriëntaties die binnen de cirkel van het mensbeeld vallen te verantwoorden. Aristoteles suggereerde daarom dat het moeilijker is om te identificeren wat ‘goed’ is, dan om aan te geven wat ‘slecht’ is. Door het slechte te vermijden wordt indirect ook het goede bereikt. Vanuit deze invalshoek kan concreet worden aangegeven binnen welke grenzen het beleid zich zou kunnen ontwikkelen, wat ‘normaal’ mag heten indien de eerder verworven filosofische, culturele en historische inzichten serieus worden genomen. Dat betekent wel dat de bewijslast dan komt te liggen bij de oriëntaties en activiteiten die buiten de cirkel vallen. Die worden nu bij voorbaat als ‘niet-normaal’ gezien. 7

Achtereenvolgens zal worden gekeken naar het verticale - en het horizontale evenwicht en de karikatuur van het nu dominerende rechtsonder kwadrant als het meest urgente probleem van dit moment:

1 Overwaardering van materialistische waarden

Het is merkwaardig dat commerciële reclame in onze huidige samenleving zo’n grote rol speelt. Terwijl het voor alles en iedereen beter zou zijn om zich bewust te worden van het eigen, authentiek menselijke waardepatroon, worden de mensen 24-uur per dag indringend opgeroepen om dat juist niet te doen. De boodschap is dat ze niet zichzelf zijn, maar de spullen die ze consumeren.

Mede daardoor ligt het huidige verticale evenwicht sterk aan de materialistische onderkant van het mensbeeld. De ervaringen rond de Corona-crisis maken duidelijk dat de economie alleen kan draaien bij gratie van de instandhouding van deze eenzijdige waardeoriëntatie. Volgens de hier gevolgde gedachtegang worden mensen daar uiteindelijk niet gelukkig van. Maar zolang ze tevergeefs blijven proberen daar wel gelukkig van te worden, levert dat een onhoudbare druk op het fysieke systeem aarde (verlies van biodiversiteit / vermindering ecologische veerkracht, stikstofbelasting , klimaatverandering, verspilling van grondstoffen, toxische stoffen etc.).

Al die problemen zijn terug te voeren op veel te grote stromen grondstoffen. Bij het klimaatprobleem gaat het om de invoer en verbranding van (te veel) fossiele brandstoffen (C-stroom), bij het landbouwprobleem om teveel invoer van veevoer (N-stroom) en in de circulaire economie om de invoer en verspilling van teveel andere schaarse grondstoffen. Milieubeleid is alleen maar zinvol voor zover die grote stofstromen worden verminderd. Innovatie en technologie zijn pas daarna van betekenis wanneer het gaat om de resterende stofstromen zo efficiënt mogelijk te benutten.

In het algemeen is in een marktgerichte economie het prijsmechanisme voor dit doel het meest effectief. Door alle kosten van productie en consumptie via een heffing in de prijs te verwerken (internalisering van externe kosten; ‘true price’) wordt de verschuiving naar minder materialistische waarden gestimuleerd en treedt substantiële vraagvermindering op. Die verschuiving is het meest effectief en rechtvaardig wanneer de heffing hetzelfde is voor alle maatschappelijke activiteiten. In het verlengde daarvan behoort het belastingstelsel een afspiegeling van het gedeelde waardepatroon te zijn. Wanneer die waarden niet duidelijk worden uitgesproken, ontstaat vanzelf een waardeloze samenleving.

- Verlies van biodiversiteit / natuur

Een duurzame maatschappelijke ontwikkeling is alleen mogelijk bij het behoud van het regulerend vermogen van de natuur. Dit bepaalt de veerkracht van het ecosysteem en daarmee het toekomstperspectief wat betreft klimaatverandering, gezondheid en voedsel- en watervoorziening. Ecologen zien in de huidige Corona-uitbraak een verband met het in hoog tempo verloren gaan van biodiversiteit (soortenrijkdom / natuur). Al decennia wijzen zij er op dat door vermindering van het natuurlijk areaal de veerkracht (‘resilience’) van het ecosysteem afneemt, waardoor de kans op ziekten toenemen, ook in de richting van de mens. In Nederland is al decennia geleden gewaarschuwd voor het overspringen van dierziekten naar de mens als gevolg van de intensieve veehouderij. Daarnaast oefent de intensieve veehouderij via de N-emissie een te grote druk uit op natuur in Nederland zelf. Inperking van de milieudruk door nieuwe technologie als mestverwerking, opkopen van fosfaat- en varkensrechten is ontoereikend gebleken. De nu voorgestelde technische maatregelen (enzymen in veevoer, koeien in de wei en de ondoenlijke monitoring daarvan) zullen opnieuw ontoereikend blijken te zijn, alleen al als gevolg van de ook nu weer (al dan niet bewust opgezochte) complexiteit van de uitvoering. Afgezien van de effecten in Nederland is de schaal en de impact van de intensieve veehouderij ook op ecosystemen elders te groot geworden (soja-productie in het Braziliaanse Amazone-gebied).

De enige begaanbare weg is blijvende verkleining (in de orde van halvering) van de stikstofstroom uit veevoer en kunstmest. Zoals aangegeven zijn heffingen op geïmporteerd veevoer (en kunstmest) daarvoor het meest effectief. De veehouderij kan daartoe omschakelen naar een (veel N-8

efficiëntere) vorm van landbouw en veehouderij. Om dit voor boeren mogelijk te maken zouden weer garantieprijzen kunnen worden ingevoerd, die in de loop van de tijd aan de hand van marktontwikkelingen kunnen worden bijgesteld. Ook zou landbouwgrond door de overheid kunnen worden opgekocht, en vervolgens aan boeren kunnen worden teruggegeven in erfpacht.

- Klimaatverandering

Het klimaatprobleem wordt volledig bepaald door de uitstoot van broeikasgassen (met name CO2) door verbanding van fossiele brandstoffen. Ieder molecuul CO2 (of CO2-equivalent van andere broeikasgassen) heeft in de atmosfeer dezelfde uitwerking. Om de werkelijke prijs te bepalen moet daarom aan ieder uitgestoten molecuul CO2 dezelfde prijs worden toegekend, ongeacht of het gaat om ruimteverwarming, auto, trein, vliegtuig of de CO2 die vrijkomt bij het vervaardiging van producten. Alleen langs die weg kan in een sterk marktgerichte economie een effectief en ‘rechtvaardig’ klimaatbeleid worden gevoerd.

Gezien de klimaatdoelstellingen zou een uniforme CO2-prijs de ‘stip op de horizon’ van 2030 moeten zijn. De komende 10 jaar zou het pad daar naar toe kunnen worden doorlopen. De CO2-prijs zal dan voor alle sectoren naar hetzelfde, voor 2030 gestelde niveau convergeren. Om de 2030-doelen te halen zal het minstens nodig zijn om een economie-brede CO2-heffing in Nederland in te voeren die op korte termijn naar een niveau van 100 € / ton wordt gebracht. Ter behoud van een ‘level playing field’ zal een dergelijke heffing moeten worden nagestreefd in (NW-) Europees verband, in combinatie met een op CO2 gebaseerde buitengrens-/invoerheffing.

Na accordering van dit principieel uniforme prijsbeleid en van het pad daar naar toe, kan de politiek uitzonderingen ‘gunnen’ aan groepen burgers en bedrijven. Zo zouden burgers in de lagere inkomensgroepen via een heffingsvrije voet kunnen worden vrijgesteld voor de fossiele energie die ze nodig hebben om hun woning te verwarmen. Ook zouden bedrijven die voor de Nederlandse (of Europese) economie als strategisch worden gezien, geheel of gedeeltelijk voor een zekere termijn kunnen worden vrijgesteld. Het is een misvatting te denken dat de vereiste reducties van de CO2 uitstoot met uitsluitend technologie kan worden gerealiseerd.

- Circulaire economie

De eerste beleidsvoorstellen om een eind te maken aan de verspilling van grondstoffen, materialen en energie in de ‘wegwerpmaatschappij’ dateren van 1972, toen Mansholt het ‘sluiten van stofkringlopen’ als een belangrijk beleidsdoel agendeerde. Ook ging het daarbij om ‘levensduurverlenging’ van producten, als meest effectieve maatregel om stoffen langer in de kringloop te houden en zo het gebruik (en invoer) van grondstoffen te beperken. De afgelopen 50 jaar heeft het beleid zeer weinig opgeleverd. Het enige dat in de circulaire economie circuleert zijn oude ideeën.

Ook hier vormt het prijsmechanisme het enige beleid dat in de huidige marktgedreven economie effectief kan zijn. Door differentiatie van het Bruto Toegevoegde Waarde (BTW)-tarief kunnen de bovengenoemde beleidsdoelstellingen effectief naderbij worden gebracht:

- Voor zover gebruik wordt gemaakt van nieuwe (‘virgin’) grondstoffen en materialen, wordt een hoog BTW-tarief van 20 % in rekening gebracht; Zo nodig kunnen voor specifieke grondstoffen aanvullende heffingen worden ingevoerd;

- Voor alle activiteiten en producten die betrekking hebben op recycling en reparatie wordt een tarief van 0 % BTW gehanteerd.

2 Onderwaardering van immateriële en culturele waarden

- Het is onvermijdelijk dat immateriële groei door de ontwikkeling van kunst en cultuur belangrijker zal worden dan materiële groei. Kunst en cultuur vergroten de samenhang tussen de verschillende menselijke waarden en dragen daarmee bij aan het behoud van de menselijke waardigheid.

Eerder is al naar voren gebracht dat de grote meesterwerken van literatuur, muziek en beeldende kunsten de door het moreel kompas aangegeven richting bevestigen.. 9

Onderwijs gaat niet alleen om het aanreiken van (toetsbare) kennis en vaardigheden, maar ook om de zelfkennis die nodig is om volwassen burger te kunnen worden. Onderwijs heeft de ernstige taak om jonge individuen te helpen bij de vraag ‘wie we denken we te zijn’, om daar vervolgens uit af te leiden wie we zouden moeten worden’. Daarvoor moeten alle aspecten van het mensbeeld in gelijke mate tot ontwikkeling worden gebracht. Alleen op die manier is een evenwichtige samenleving mogelijk die gebaseerd is op evenwichtige individuen.

- De Corona-crisis maakt duidelijk dat ook in de gezondheidszorg de menselijke maat kan terugkeren, waarbij de mens als één geheel wordt gezien. De nadruk ligt op preventie en gezondheidsbevordering en de zorg is gericht op het vergroten van de autonomie en eigen regie, zodat mensen op basis van goede informatie gezondere keuzes kunnen maken; van ziektezorg naar gezondheidszorg.

3 De onevenwichtige waardering van private en publieke waarden

Zoals aangegeven heeft de afgelopen decennia, met name na de val van de Berlijnse muur, een sterke verschuiving plaatsgevonden van publieke, collectief georiënteerde waarden naar individualistische, private waarden. Deze verschuiving heeft het horizontale evenwicht van het ene uiterste naar het andere doen doorslaan. In de jaren ’90 is een groot aantal publieke functies (energievoorziening, openbaar vervoer, gezondheidszorg) geprivatiseerd onder het motto ‘markt tenzij’, wat tot het domineren van het rechtsonder kwadrant heeft geleid. Het evenwicht tussen publieke en private verantwoordelijkheden zou tegen deze achtergrond opnieuw en meer principieel moeten worden heroverwogen. Op grond van het mensbeeld kan worden beargumenteerd dat de publieke en private waarden even zwaar zouden moeten wegen. Dat zou dan de volgende beleidslijnen legitimeren:

- Evenwicht dient te worden bewaard tussen private en publieke eigendom. Het ‘markt tenzij’ principe heeft ten onrechte geleid tot de situatie waarin ‘alles te koop is’. Het valt te beargumenteren dat goederen voor het directe fysieke of geestelijke functioneren van het individu ‘toe-eigenbaar’ zijn. Het gaat dan om ‘verlengstukken’ van het menselijk lichaam. Dat kan ook voor een huis (primaire beschutting) en met enige fantasie voor een auto (als ‘fysieke prothese’) gelden. Dat valt niet te motiveren voor natuurgebieden, het strand, lucht, water en delfstoffen... Dergelijke goederen behoren tot de ‘commons’ die principieel aan de gemeenschap toebehoren. Vanuit dezelfde gedachtegang kunnen vraagtekens worden gezet bij de toe-eigening van private eigendom die verder gaat dan privaat gebruik. Zo is het opkopen van huizen als beleggingsobject op een schaarse woningmarkt in strijd met het delicate evenwicht tussen publieke en private belangen. Het kan niet als ‘normaal’ worden gekwalificeerd.

Ook moeten vraagtekens worden gezet bij de rol van aandeelhouders. Zij vertegenwoordigen alleen maar de factor kapitaal en behoren niet de beleidsbepalende eigenaars van bedrijven te zijn.

- Ruimtelijke ordening zoals die voor 1989 in Nederland bestond is nodig voor de regulering van de toenemende schaarste die zich nu op bijna alle maatschappelijke gebieden gaat voordoen. Op die manier kan de balans tussen publieke en private belangen worden gewaarborgd.

- De ‘commons’ van de lokale, nationale of Europese gemeenschap kunnen niet worden toegeëigend door beleggers van buiten de gemeenschap. Op grond van welke overweging valt te motiveren om Schiphol of om Nederlandse landbouwgrond te verkopen aan buitenlandse beleggers ? De zelfbeschikking van de nationale (of Europese) gemeenschap zou daardoor worden beperkt.

 - Omgekeerd kunnen grote vraagtekens worden gezet bij het verwerven van vastgoed in andere landen, buiten de eigen nationale of economische gemeenschap. Ook door EU-landen wordt in ontwikkelingslanden op grote schaal grond ‘gekocht’ en omgezet in bedrijven die landbouwproducten voor de kapitaalkrachtige westerse markten produceren (landgrab). Datzelfde geldt voor de internationale visserij (verdragen), waarbij lokale voorraden worden weggevist.

- Op basis daarvan valt te rechtvaardigen dat grenzen worden gesteld aan het vrije verkeer van mensen, arbeid en kapitaal. Dat neemt omgekeerd niet weg dat er een nationale of Europese morele verantwoordelijkheid is voor de fysieke en sociale omstandigheden elders (oorlogsvluchtelingen, werkelijke ontwikkelingshulp).

 4 De onbalans tussen het universele (mondiale) geheel en het regionale / nationale deel

De horizontale tegenstelling heeft niet alleen betekenis voor de publiek / privaatverhouding, maar meer algemeen op het universele versus het specifieke. Dit vertaalt zich ook door in de (belangen-) tegenstelling tussen het mondiale geheel en het regionale / nationale deel. Het principiële evenwicht daartussen leidt tot de volgende stellingen:

- Soevereiniteit / zelfbeschikking van de democratische gemeenschap is het centrale vertrekpunt. In de hyper-globalisering van de afgelopen decennia, die werd gedreven door de oriëntatie op universele materialistische waarden aan de linksonder kant, werd de rechterhelft van het mensbeeld ontkent. Daarbij werd de overheid als ‘ook maar een partij’ gekwalificeerd, die in de praktijk ondergeschikt was aan de op mondiale schaal opererende economische en financiële krachten. De situatie laat zich vergelijken met de Middeleeuwen toen de staat ondergeschikt was aan ‘de kerk’. Politiek zou dat vooral betekenen dat de grote financieel-economische belangen niet meer vervlochten mogen zijn met het staatsbestel. Als de scheiding tussen kerk en staat als een democratische verworvenheid wordt gezien, dan zou het op basis van dezelfde overwegingen nu ook hoog tijd zijn voor de scheiding van economie en staat.

 In reactie op globalisering en daarmee de dominantie van het internationale financieel-economische bestel is een terechte behoefte ontstaan aan ‘eigenheid’ en zelfbeschikking. Gegeven de huidige mondiale situatie is het verstandig die zelfbeschikking op onderdelen na te streven op het schaalniveau van (NW -) Europa.

In handelsverdragen vastgelegde economische belangen van grote bedrijven behoren principieel ondergeschikt te zijn aan de soevereine democratische gemeenschap. Op geen enkele manier valt te legitimeren dat internationale bedrijven gerechtelijke stappen nemen tegen de soevereine, democratische staat.

- Omgekeerd betekent dit dat Nederland / Europese gemeenschap de soevereiniteit / zelfbeschikking van derde landen respecteert, door af te zien van afwenteling van milieudruk, natuurvernietiging, grondstoffenuitputting en verstoring van lokale markten.

5 Grenzen aan de Groei

Economische groei stuit op de grenzen van het fysieke systeem aarde en is aan de andere kant alleen zinvol voor zover die naar een samenleving leidt waarin mensen zich optimaal kunnen ontplooien. Dat betekent dat voor de verschillende waarden die samen het mensbeeld vormen een minimum niveau moeten worden bereikt. Dat geldt zowel voor het fysieke domein (fysieke gezondheid, huisvesting) als voor immateriële voorzieningen zoals onderwijs, kunst, cultuur en individuele vrijheid (eigenheid). Het idee dat de economie moet groeien om stabiel te zijn is niet juist. De instabiliteit wordt veroorzaakt door de hieronder aangegeven fundamentele fouten in het financiële bestel. Na monetaire hervorming is een stabiele, niet meer groeiende economie mogelijk met volledige werkgelegenheid.

Groei heeft zich de afgelopen decennia wel doorvertaald in vergroting van de koopkracht van de aandeelhouders, maar niet van de gemiddelde Nederlander. En als dat wel zo zou zijn, dan zouden de netto effecten beperkt zijn, omdat in de huidige situatie de prijzen van schaarse goederen zoals huizen, zich aanpassen aan het algemene welvaartsniveau. Als de gemiddelde koopkracht stijgt worden de huizen net zo veel duurder en is de gemiddelde Nederlander dus niet beter af. Iedereen op z’n tenen gaat staan, maar niemand beter kan zien. Voor de beschikbaarheid van dergelijke ‘positionele’ goederen is dus niet de hoogte van de inkomens (of koopkracht) belangrijk, maar de volgorde. Als er al een vergroting van de koopkracht mogelijk zou zijn, zou dat de gemiddelde Nederlander dus maar weinig opleveren. 11

 6 De noodzaak van monetaire hervorming

De belangrijkste onbalans tussen publieke en private verantwoordelijkheden ligt in het financiële bestel dat zich heeft ontwikkeld tot de karikatuur van de huidige tijdgeest in het rechtsonder kwadrant. Daarbij zijn grote publieke belangen in handen gekomen van een kleine private elite. Het is te ingewikkeld, te groot, maatschappelijk onrechtvaardig en het maakt de economie nog minder stabiel dan die al was. De financiële sector is zo groot geworden dat ze niet meer bijdraagt aan economische groei maar eerder aan economische krimp (IMF-rapport). Het is ondenkbaar dat de oplossing van de Corona-crisis en de hierboven genoemde transities naar duurzaamheid kunnen worden doorgevoerd zonder wezenlijke hervorming van het financiële bestel.

In het EU-Verdrag van Maastricht is in 1992 vastgelegd dat de nationale overheden en de EU door middel van haar Europese Centrale Bank (ECB) zelf geen geld meer mogen scheppen (artikel 104). De geldschepping is daarmee voorbehouden aan private banken die het geld scheppen ‘uit het niets’ wanneer ze leningen verstrekken aan bedrijven, burgers (vooral hypotheken) en overheden (obligaties). Er wordt dus evenveel geld gecreëerd als schuld. Private banken scheppen het geld op het verkeerde moment wanneer de vastgoedprijzen stijgen, waardoor steeds hogere hypotheken worden verstrekt en dus steeds meer geld wordt gecreëerd. Daardoor wordt nog verdere prijsstijging aangejaagd (procyclische sturing). Bovendien zoekt een belangrijk deel van dit geld in de private sfeer zijn weg naar het hoogste rendement, wat in de praktijk al gauw neerkomt op roofbouw en grote prijsstijgingen van land en woningen. Afgezien van deze bezwaren loopt de (Nederlandse) belastingbetaler door deze wanverhouding tussen publieke en private verantwoordelijkheden tientallen miljarden euro’s per jaar mis.

Sinds Aristoteles hebben grote filosofen, staatslieden en economen gesteld dat geldschepping het ultieme en meest richtinggevende voorrecht is van de gemeenschap en dus van de staat. Het belastingstelsel en de financiële infrastructuur zijn de belangrijkste mogelijkheden die de samenleving heeft om haar gedeelde waardepatroon maatschappelijk te concretiseren. In dit alternatief van publieke geldschepping kan het geld, dat in een economie kan en moet worden gecreëerd om prijsstabiliteit of een lichte inflatie te realiseren, worden gebruikt voor maatschappelijk relevant geachte investeringen. Het geld kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor de energietransitie, het onderwijs of Corono-hulp, zonder dat daar een (staats-)schuld tegenover staat. Daarnaast wordt de economie stabieler, de kans op kostbare financiële crises kleiner en kan de EU in deze kritieke fase richting geven aan de ontwikkeling na Corona. Op de kortere termijn zou deze hervorming door de ECB (onder Lagarde) kunnen worden gestart als een vorm van ‘green quantitative easing’, waarbij het geld rechtstreeks (buiten de ‘financiële markten om) in de reële economie wordt gebracht zonder dat het geld hoeft te worden terugbetaald. Uiteindelijk zal het onvermijdelijk zijn het Verdrag van Maastricht aan te passen door de rolverdeling tussen privaat en publiek terug te draaien.

Om te voorkomen dat de belastingbetaler opnieuw de rekening krijgt van toekomstige bankencrises, zal verdere publiek-private ontvlechting nodig zijn. Concreet kan dat worden gerealiseerd door een publieke Staatsbank in te stellen waar burgers voor 0 % rente en 0 % risico hun geld kunnen stallen.

7 Licence to Operate

Kiezers en politici zouden zich moeten realiseren dat de tot nu toe gebruikelijke praktijk dat ‘alles kan, tenzij het tegendeel wetenschappelijk wordt bewezen’ niet normaal en niet houdbaar is. Erkenning van de inzichten van twee millennia filosofie, cultuur en geschiedenis, zou omgekeerd juist leiden tot een ‘licence to operate’ binnen het morele kader dat daarin ligt besloten. Dat kader is dan niet gebaseerd op de achtereenvolgende, meer tijdgebonden overtuigingen, maar op ervaringen en inzichten die daar in de vorm van een moreel kompas boven uitgaan.

In deze gedachtegang is het niet ‘normaal’ of moreel te verantwoorden om het min of meer gedeelde waardepatroon uit eigenbelang naar de eenzijdige periferie (van het mensbeeld) te verschuiven. Dergelijke middelpuntvliedende krachten hebben in het verleden enorme catastrofes teweeggebracht 12

en vallen buiten wat ‘normaal’ mag heten en daarmee buiten de ‘licence to operate’. Alle maatschappelijke actoren, zowel de politiek, de media als commerciële partijen dienen zich hiervan bewust te zijn. Zo hoeven op commercieel vlak verre vliegreizen niet te worden verboden (menselijke vrijheid), maar kunnen ze wel legitiem worden ontmoedigd (economie-brede, uniforme CO2-heffing). Er is dan ook alle reden om (goeddeels) af te zien van reclame die beoogt het meer authentieke waardepatroon van mensen opzettelijk te verschuiven naar zeer eenzijdige oriëntaties die economen ‘preferenties’ noemen en die alleen maar worden gemotiveerd door even eenzijdig commercieel eigenbelang.

Deze wezenlijke omkering van de bewijslast aangaande wat ‘normaal’ mag heten, leidt ook wat betreft de Corona-steun tot een omgekeerde werkwijze. Het overheidsbeleid zou eerst de hoofdlijnen van het post-Corona beleid moeten uitzetten, zo veel mogelijk gebaseerd op een meer wezenlijke onderbouwing, zoals hierboven bepleit. Zo zou een robuust en eenvoudig beleid kunnen worden geformuleerd op basis van heffingen (waar mogelijk in samenwerking met de EU om het vereiste ‘level playing field’ te creëren). In het geval van een uniforme CO2 –heffing over alle sectoren zou het gaan om een aanvankelijk niveau van 100 € / ton. Voor de luchtvaart zou dat bijvoorbeeld neerkomen op een 400 € hogere prijs voor een retourvlucht naar Zuid-Oost Azië.

Het is vervolgens aan economische en financiële actoren om aan te geven hoe ze binnen die daarmee gegeven ‘licence to operate’ economisch zouden kunnen functioneren. In dit voorbeeld zou de vraag aan de KLM zijn hoe het businessplan er uit gaat zien, gegeven het nieuwe beleid en het nieuwe ‘normaal’.

Afhankelijk van dergelijke business plannen voor de nieuwe situatie krijgen bedrijven steun op de ingeslagen weg, dan wel voor de omvorming naar nieuwe economische bedrijvigheid. Op die manier zou de Corona-steun primair worden gebruikt voor de overgang / transitie naar de nieuwe maatschappelijke orde, die wel als ‘normaal’ kan worden beschouwd. [Bron]